Épistèmès

ÉPISTÈMÈS, en de DOORBREKING van de PERSOONLIJKHEIDSSTRUCTUUR

Filosofie wordt wel beschreven als een zoektocht naar waarheid, een manier van nadenken over de wereld om ons heen, over jezelf en je plaats in de wereld. Als zodanig heeft filosofie een belangrijke invloed op de samenleving, met name vanwege de rationele benadering ervan die als het ware de strijd aanbindt met de mythologische verklaringen c.q. religieuze openbaringen en daarop gegronde angsten en voorschriften. Dat wil niet zeggen dat religies en de voorschriften ervan geen nuttige functie kunnen hebben of gehad kunnen hebben, maar ze mogen niet leiden tot overdrijving en tot inperking van de vrijheid van gedachten en meningsvorming. Geheel in overeenstemming daarmee formuleerde oud premier Zijlstra het als richtlijn voor een christelijke politiek: ,, … wat moet gebeuren, wat moet veranderen om ruimte te scheppen en te bewaren voor de dienst van God en de dienst van de naaste”[1]. Als dit geldt voor christenen dan geldt dit ook voor andersdenkenden.

Het is de grote verdienste geweest van Descartes en anderen dat zij de rationele benadering van wereldvraagstukken hebben doorgezet. Onder meer gebruikmakend van de verandering in de Republiek der Verenigde Nederlanden, waar de zeggenschap van de katholieke Kerk en de adel buiten de deur was gezet en de vrije gedachte ruimte kreeg. Foucault heeft dit gedefinieerd als een sprong van épistèmè, een interessante kwalificatie.

Filosofie is een denkactiviteit. Empirisch onderzoek ligt er nauwelijks aan ten grondslag. Dit is duidelijk zichtbaar aan de geschiedenis van de filosofie. Het is telkens oppakken en uitbouwen van wat anderen vóór ons gedacht hebben. Kort door de bocht gezegd: het komt voornamelijk neer op ingewikkelde hersenspinsels over het zijn en over het denken. Hier en daar gaat het over ethiek, hetgeen meest uitmond in een preek. Het komt zelden voor dat er nieuw bloed wordt toegevoegd vanuit de empirie. Natuurlijk zijn er wel uitzonderingen, bijvoorbeeld in het onderzoek van het taalgebruik en de invloed daarvan op onze denkwereld, alsook het antropologisch onderzoek. Wat het laatste betreft heb ik het oog op twee voorbeelden: Foucault en Lévi-Strauss.

Foucault is gedoken in de archieven van de behandeling van personen met geestelijke afwijkingen. Hij heeft opgemerkt dat er zich geen geleidelijke veranderingen plaats vonden in de maatschappelijke opvattingen ten aanzien de ,,waanzin”, maar dat zich daarin plotselinge fundamentele wijzigingen of breuken voordeden en dat die eveneens op veel ander gebieden tezelfder tijd waren waar te nemen. Hij noemde dit wijzigingen in de épistèmè, de manier waarop in een bepaald tijdvak de orde der dingen wordt ervaren, de dieptestructuur van het weten, de onderlinge samenhang die men in de dingen ervaart[2]. Volgens Foucault kan men niet buiten de épistèmè treden. Of hij daarmee gelijk heeft kan men zich afvragen. Een breuk in een épistèmè kan immers alleen optreden als men het laat gebeuren.

De tweede die ik hier noem is Lévi-Strauss. Lévi-Strauss heeft antropologisch onderzoek gedaan o.m. bij de indianen in Brazilië. Ik citeer uit een boekje dat dateert van 1972.[3]

 ,,Het is ongetwijfeld juist, dat de geestesgesteldheid van de hedendaagse schriftuurloze volken, die dus nog niet gemoderniseerd zijn, in een aantal opzichten overeenkomst vertoont met die van kinderen in onze cultuur. Maar er is niet alleen een zekere overeenkomst tussen de volwassenen daar en de kinderen hier bij ons, maar evenzeer van de volwassenen bij ons en de kinderen daar. Over en weer maken volwassenen uit sterk verschillende culturen in een aantal opzichten een kinderlijke zoniet kinderachtige indruk op elkaar. Ze vinden bij die andere volwassenen meermalen in een uitgewerkte vorm, wat zich in zwakkere vorm bij hun eigen kinderen had voorgedaan maar in hun cultuur en samenleving bij het opgroeien was weggeselecteerd en onderdrukt. Talen en culturen zijn selectiesystemen uit diverse mogelijkheden, die besloten liggen in wat Lévi-Strauss noemt ‘un fonds universel’, dat oneindig veel rijker is dan waarover iedere aparte samenleving beschikt. Er bestaat gegronde reden om aan te nemen, dat ieder kind bij de geboorte en in embryonale vorm de totaliteit van mogelijkheden meebrengt, waarvan iedere cultuur en in iedere periode van de geschiedenis slechts enkele uitkiest, vasthoudt en verder ontwikkelt.”

 Wat moeten we nu hiervan denken? Épistèmès zijn een cultuurverschijnsel. In de loop van de geschiedenis van een cultuur verandert ook de épistème. Maar de épistèmè van de ene cultuur is niet dezelfde als die van de andere. Mensen uit verschillende culturen zijn opgegroeid met een andere manier waarop de orde der dingen wordt ervaren, met een andere dieptestructuur van het weten, met een andere onderlinge samenhang in de dingen die men ervaart.

 Indien men Foucault op de letter zou volgen kan men daar niet buiten treden. Dit zou betekenen dat ouderen, maar ook immigranten hun épistèmè niet kunnen loslaten. Dat zien we dan ook bij veel ouderen en ook bij veel immigranten. Bij ouderen gaar het om hen die niet met hun tijd meegaan. Vandaar een ouderenbeleid. Bij immigranten is het de definitie van een ,,displaced person”. Vandaar een integratiebeleid.

 Het valt aan te nemen dat Foucault een globale épistèmische sprongen heeft geconstateerd en dat hij zich niet heeft beziggehouden met de dynamiek ervan noch met verschillen in épistèmè van cultuur tot cultuur. We kunnen de lijn ook doortrekken naar verschillen in épistèmé van gezin tot gezin. Iedereen geeft zijn eigen épistèmè. Zouden we daar niet buiten kunnen treden, dat kan niemand zich aanpassen aan veranderende omstandigheden, aan veranderingen in de samenleving door de jaren heen. Dan komt Toffler in beeld met zijn theorie dat mensen die niet met hun tijd meegaan, die zich niet aanpassen aan de vaak snelle veranderingen daardoor in stress kunnen geraken en ziek worden [4]: Het is verstandig, aldus Toffler, te anticiperen op de snelle veranderingen in de maatschappij. Toffler’s waarschuwing had betrekking de ouder wordende mens. Maar het is natuurlijk ook van toepassing op immigranten die zich zouden moeten aanpassen aan de maatschappelijke omgeving waarheen zij zijn verhuisd.

 Hetgeen Lévi-Straus constateerde ten aanzien van het , ‘fonds universel’ dat voor ieder bij de geboorte aanwezig is biedt hier de oplossing. Het benodigde materiaal is voorhanden, het gaat er maar om de raadgeving van Toffler ter harte te nemen.

 Dirk van der Werf

 Lopikerkapel, 22 februari 2011

 P.S. Ik heb dit essay nu alweer meer dan vijf jaar geleden geschreven. Er is in dit tijdsverloop veel in de wereld gebeurd. Ik zou het nu vanzlfsprekend anders geschreven hebben. Maar wat wel duidelijk gebleken is, is dat veel immigranten, en ook ouderen onder onze autochtonen, moeite hebben om buiten hun traditionele épistèmè te treden. Maar constaterend dat het voor hen moeilijk is, kan men hen dat niet kwalijk nemen. Dat houdt niet in dat geen eisen gesteld mogen worden, zowel formeel als in het dagelijks leven. Dat is onontkoombaar. Maar vanuit van ,,s’lands wijs, s’lands eer” ervan uit te gaan dat ze zich maar moeten aanpassen, is te kort door de bocht.

 Geplaatst begin november 2016.

[1] J. Zijlstra: Per slot van rekening (1992), p. 100

[2] Introductiecursus, p. 73 regel 11 ff.

[3] C.P. Bertels en E. Petersma (red.): Filosofen van de 20e eeuw (1972), p. 205

[4] Alvin Toffler: Future Shock (1970)