Gebonden Inflatie

Malinvaud’s tussenoplossing voor het beleid in de recessie.

 Malinvaud’s stelling is dat de situaties van ,,klassieke werkloosheid”, die het gevolg is van tekortschietende winsten en investeringen van bedrijven, en ,,Keynesiaanse werkloosheid”, die het gevolg is van een tekortschietende globale vraag bij gezinnen en overheid, die leiden tot tegengestelde opvattingen, niet het gehele probleem van de werkloosheid beschrijven. Hij ziet een derde mogelijke situatie, die van ,,gebonden inflatie”[1], waarin het arbeidsaanbod de beperkende factor vormt. Met andere woorden een situatie waarin bedrijven ondanks het bestaan van een aanzienlijke werkloosheid niet de mankracht kunnen vinden die nodig is om bij de bestaande productiecapaciteit aan de vraag te voldoen. In een zodanige situatie zijn geen onmiddellijke loon- en prijsstijgingen te verwachten, want in de ontspannen arbeidsmarkt als bijvoorbeeld vandaag het geval is en de kortingen en prijsdalingen op de consumentenmarkt is voor een gierende inflatie weinig ruimte.  

 Wanneer Malinvaud komt tot een grafische voorstelling kan hij velden onderscheiden van keynesiaanse en van klassieke werkloosheid evenals van gebonden inflatie (zie de grafische voorstelling). Deze velden overlappen elkaar gedeeltelijk. Een gebied waar evenwicht heerst blijkt niet als veld bestaanbaar te zijn, maar alleen als grenslijn tussen velden met om verschillende redenen onbevredigende situaties. De taak van het beleid is volgens hem daarom de economie te laten balanceren in de buurt van het grensgebied tussen keynesiaanse werkloosheid en gebonden inflatie en daarbij het ontstaan van klassieke werkloosheid zoveel mogelijk te vermijden. Immers een te lage winst heeft een negatieve invloed op de investeringen en de productiecapaciteit, maar een lage loonsom ook.

In een periode waarin gebonden prijsstijging zou samenvallen met klassieke werkloosheid moet het productieapparaat worden vernieuwd en uitgebreid. In dat geval heeft het dus zin om te streven naar een verlaging van de loonsom ten behoeve van de investeringen en kan beheersing van de vraag gericht worden op het voorkomen van open prijsstijging. In een situatie waarin keynesiaanse en klassieke werkloosheid samenvallen moeten wel de loonkosten omlaag maar moeten de bestedingen worden gestimuleerd. Dat geeft dus een beweging die kan helpen om via investeringen van bedrijven een opleving op gang te brengen. Malinvaud wees er op dat voor de investeringsgeneigdheid zowel winstgevendheid als afzetvooruitzichten bepalende factoren zijn en dat deze doorgaans hand in hand gaan. Zonder loonmatiging zal het echter niet lukken, daarin kunnen we hem gelijk geven. Belangrijk is het daarvoor dat er voldoende geschikt arbeidsaanbod is.

Dit wijst op het belang van de structuur van de arbeidsmarkt. Daarmee zij bedoeld de verhouding van aangeboden (beschikbare) capaciteiten en gevraagde (benodigde) capaciteiten. In de hausse krijgen arbeidskrachten op alle niveaus kansen om omhoog te klimmen. Dat doet denken aan het Peter principle: arbeidskrachten worden bevorderd tot boven hun niveau, dan worden ze gehandhaafd. Dat geldt natuurlijk niet voor iedereen. Maar het is wel een tendentie die optreedt bij een gespannen arbeidsmarkt. Bij een ontspannen arbeidsmarkt ontstaat een omgekeerde beweging: verdringing omlaag met als resultaat teruggetrokken aanbod van arbeidskrachten met de minste kansen op de arbeidsmarkt, overigens van alle niveaus van competentie.

Vanuit beleidsuitgangspunt gaat het hier om de verhouding tussen reserveringsloon (de minimum loonshoogte waarvoor iemand zich aanbiedt) en het bereikbare loon. Immers, bij voldoende verschil tussen beide grootheden komt er arbeidsaanbod vrij. Twee benaderingen zijn denkbaar voor een op dit verschil gericht beleid:

  1. het verlagen van uitkeringen en strengere toepassingsregels;
  2. verhoging van de bereikbare lonen door omkering van het proces van verdringing.

 Het zou een illusie zijn te menen dat het probleem van de verhouding tussen het reserveringsloon en het bereikbare loon met succes kan worden aangepakt zonder aandacht voor de vraagzijde. Verlaging van het reserveringsloon via veranderingen van regelingen kan alleen zin hebben wanneer tegelijk een eind komt aan het proces van verdringing, zodat wordt voorkomen dat het reserveringsloon op de voet wordt gevolgd door het bereikbare loon dat werkgevers aanbieden. Boven het minimumloon is dit een reëel gevaar.

 De arbeidsmarkt is een complex gebeuren. Verdringing treedt niet overal op en teruggetrokken aanbod vindt men niet op de gehele markt. Er zijn beroepsgroepen waar doorlopend schaarste heerst en voor vuil en zwaar werk is altijd moeilijk mensen te vinden.

 Het plaatje van Malinvaud

In deze grafiek staan de prijsstijging op de x-as en de loonstijging op de y-as. Het veld links boven omvat de klassieke werkloosheid, het veld rechts boven de keynesiaanse werkloosheid. Het onderste veld geeft de gebonden inflatie met de minste loon- en/of prijsstijging. 

 IMG_0161

Het heeft weinig zin om hierover uitvoerig uit te wijden. Het gaat erom dat Malinvaud’s plaatje duidelijk aangeeft dat een politiek in de recessie niet hoeft te leunen op loon- en prijsstijgingen maar het evengoed zonder kan.[2]

 Dirk van der Werf, Lopikerkapel, 23 juni 2016 

[1] In het Frans: inflation contenue; zie Edmont Malinvaud: Réexamen de la théorie du chômage (1980).

[2] Voor een uitvoeriger beschrijving van de mogelijkheden zie: Pierre Dehez: A propos de l’ouvrage “Réexamen de la théorie du chomage” d’Edmond Malinvaud (Octobre 2001, te vinden op internet) en D.van der Werf: Crisis en Maatschappelijke Keuze (Leeuwarden, 1983), blz. 157-170.