Contingentie en Keynesianisme

 Contingentie is een begrip dat stamt uit de filosofie. Het duidt het tegengestelde aan van noodzakelijkheid. Contingent zijn dingen of gebeurtenissen waarvan noodzakelijkheid niet vaststaat, die men kan verwachten of die geheel verrassend zijn. Eigenlijk zijn praktisch alle gebeurtenissen in het leven contingent, totdat ze daadwerkelijk gebeurd zijn. Er is altijd een zekere mate van onvoorspelbaarheid. Dat geldt ook voor het economisch leven, en dus ook voor de conjunctuur, perioden van voorspoedige groei, en het vastlopen ervan, crisis en depressie.

 Een en ander is ook elders in dit blog besproken bij ,,Convergentie versus Convergentie”.

 Achteraf kan worden vastgesteld waar een crisis aan gelegen heeft, hoewel dat ook niet altijd gemakkelijk is, omdat er belangen mee gemoeid zijn, die de objectiviteit van waarneming en uitleg aantasten, die overigens zelf weer onderhevig zijn aan de aan contingentie klevende onzekerheid.

 Over de onregelmatigheid in het groeitempo, de conjunctuur, in de loop van de 19e en begin 20ste eeuw veel aandacht besteed, is een groot aantal theorieën ontwikkeld, over de oorzaken van cycli met een opgang, ontwikkeling van crisissen en het vastlopen en de daaropvolgende depressie en het herstel.

 In de loop van de jaren 1930 werd de aandacht voor de conjunctuurtheorie verdrongen door de aandacht die werd opgeeist door de schijnbaar onoplosbare depressie en de daaraan verbonden werkloosheid. Met name door het geschrift van J.M. Keynes: ,,The General Theory of Employment, Interest and Money” uit 1936 werd de oorzaak van de depressie gezocht in een tekort aan bestedingen, met name consumptieve bestedingen van gezinnen. Toen ook de investeringen van bedrijven achterbleven, aangezien de winstgevendheid daalde beneden het niveau van de rente, construeerde Keynes een risico van seculiere stagnatie van de welvaartsgroei die in het westen in de voorafgaande anderhalve eeuw had plaatsgevonden.

 Die stagnatie (Secstag) kwam erniet. De bestedingen werden opgejaagd door de wereld-oorlog en het daaropvolgende herstel van de aangerichte schade. Maar ook daarna, tot op heden is van een Secstag geen sprake geweest. Niettemin is de leer van Keynes dominant gebleven in de wereld van de macroeconomie en duikt de vrees voor een Secstag nog steeds op met veronachtzaming van de traditionele conjunctuurleer.

 Een merkwaardigheid in de redenering van Keynes is, en dat is belangrijk, dat hij het ont-staan van de depressie eigenlijk niet beschrijft. Hij stelt wel dat de omslag ontstaat doordat de winstgevendheid daalt beneden de rentevoet, en dat daardoor min of meer onvermijdelijk de investeringsgeneigdheid begint de ontbreken. De rol van het bankwezen en de instabiliteit door de intering van de reserves via onverantwoorde credietverlening in de hausse, blijven uit zicht. Alsof alles volgens vaste patronen verloopt en alsof Black Tuesday in 1929 of de ondergang van de Öserreichische Kredietanstalt in 1931 met hun noodlottige gevolgen gerangschikt kunnen worden als bijwerkingen van wat minder investeren door bedrijven.

 Het Keynesiaanse model kan herschreven worden in eenvoudige wiskundige formules en is aanleiding geweest van een wereld van eenvoudige en gecompliceerde econometrische modellen waarin de macroeconomische samenhangen nauwkeurig woorden beschreven en indien gewenst prognoses worden gemaakt.

 De onzekerheid van een contingentie van facto-ren, gedragingen van onafhankelijk van elkaar handelende personen als ook van omstandigheden die buiten het menselijk handelen zich voltrekken, blijven bij de Keynesiaanse benadering buiten beeld.

 Het wordt tijd om de conjunctuurtheorie weer eens van stal te halen.

 Dirk van der Werf, 30 mei 2016