Contingentie en Conjunctuur

Elders in dit blog is uitleg gegeven aan het begrip contingentie. Het is het gevolg van een toevalligheid. Het zoals in de gelijkenis van de zaaier in Matthéüs 13: Van de vele zaden valt er maar één in vruchtbare aarde, het is een toevalstreffer, die zich zich deels honderd, deels zestig, deels dertigvoudig vermenigvuldigt. Het resultaat kan gunstig zijn, de verspreiding van Gods woord, zoals bedoeld in de gelijkenis, maar de gelijkenis kan ook op andere, minder gewilde ontwikkelingen worden toegepast. Het is een toevalligheid, die men kan verwachten, maar die niet voorspelbaar is.

 Bij de economische conjunctuur ziet men iets dergelijks gebeuren. Gedurende de opgaande fase, de fase van groei worden geleidelijk onevenwichtigheden opgebouwd, spanningen van de hausse, die tot ontlading kunnen komen, maar niemand kan voorspellen waar en wanneer. Het recente voorbeeld is het faillissement van Lehman Brothers een toevaltreffer met x-voudige gevolgen: deconfitures op veel plaatsen, deflatie van de geldhoeveelheid, besparingen waar geen investeringen tegenover staan, daling van de rente, ontslagen en werkloosheid.

De politiek kan dit niet aanzien en breekt zich het hoofd over welke oplossingen beschikbaar zijn om de ontwikkeling in een gunstige richting om te buigen. Het probleem is dat de politiek – zoals wel vaker – lijdt aan een soort collectieve dwangneurose: niets doen is geen optie. Er moet wat aan gedaan worden, zoals het nu is kan het niet blijven. Intussen past de ECB, in navolging van de Amerikaanse FED, al een onwerkbaar paardenmiddel toe: QE oftewel kwantitatieve verruiming, het nog verder omlaagbrengen van de reeds lage rente. Een middel met ongunstige bijwerkingen, inzonderheid voor pen-sioenfondsen en levensverzekeringsmaatschappijen, dat over het doel heen schiet. Het blijft echter afwachten, uitzieken tot de economie weer beter wordt.

 Er zijn er die in het voetspoor van Keynes en zijn apostel Alvin Hansen de moed al hebben opgegeven en een seculiere stagnatie (Secstag) voorspellen. Een prognose die, zoals zo vaak, neerkomt op het lineair doortrekken van het heden naar de toekomst. De voorspelling kan uitkomen, maar ook daarop bestaat geen zekerheid.

 Vanaf de achttiende eeuw zijn er herhaaldelijk schommelingen in de economische activiteit opgetreden met een cyclisch karakter en een duur van zes tot tien jaar, de zg. Juglars, genoemd naar de Franse onderzoeker Juglar, die deze conjunctuurbeweging het eerst heeft opgemerkt.

 Er zijn inmiddels boeken volgeschreven ter verklaring van het verschijnsel conjunctuur. De meeste van die boeken geven een goed beeld van een bepaalde conjunctuurcyclus, maar een algemene beschrijving, die op elke cyclus past, is eigenlijk onmogelijk aangezien elke cyclus zijn eigenheid heeft vanwege de grote verscheidenheid van invloeden, historische en gelijktijdige invloeden, dus eigenlijk vanwege de contingentie van bepalende omstandigheden. Dit blijkt alreeds duidelijk uit de verschillen in tijdsduur, die zich in het verleden bij de conjunctuurgolven hebben voorgedaan.

 De verschillende conjunctuurtheorieën belichten telkens een ander aspect. De monetaire theorie, bijvoorbeeld beschouwt de conjunctuur als een puur monetair gebeuren. Het monetair aspect van de conjunctuur is inderdaad essentieel, zeker bij de conjunctuuromslag, maar het is niet alles. Een andere theorie belicht de overinvestering in verhouding tot de consumptie als probleem, inzonderheid vanwege de mogelijkheid dat de richting van de investeringen te weinig aansluit aan verschuivingen aan de vraagzijde. Weer een andere theorie ziet onderbesparing als belangrijk punt achter de conjunctuur omslag. Elk van deze theorieën belicht een onderdeel van het geheel.

 Een algemeen beeld van fasen is echter wel te geven (bron: Gustav Cassel, 1932[1], met toevoegingen[2]), te beginnen met de depressie: 

Vastgelopen situatie:

  1. depressie (weinig investeringen, lage productie, laag grondstoffengebruik, ruime liquiditeit van de banken door besparingen van gezinnen en bedrijven (schuldaflossing), daling van de rente, prijsdaling, werkloosheid en neerwaardse druk op de lonen; de geldvermindering die verbonden is aan deze fase kan men aanduiden als de “primaire deflatie”, die eventueel kan uitmonden in een “secundaire deflatie”, moeilijk te onderscheiden van een seculiere stagnatie (Secstag);
  2. voorzichtig herstel (allereerst van productie en grondstoffengebruik, de liquiditeit bij banken blijft voorlopig nog hoog door gezinsbesparingen en schuldaflossing van bedrijven, maar vinden hun weg nog niet naar investeringen die maar langzaam weer op gang komen, werkloosheid neemt iets af, verdere prijsdaling, blijvende druk op de lonen);

 Opleving:  

  1. verder herstel (sterke toeneming van productie en investeringen, nieuwe emissie van aandelen, toenemend grondstoffengebruik, herstel van werkgelegenheid (na omscholing), nog geen loonstijging);
  1. volle hausse (stijgende rente, lonen en prijzen en particuliere consumptie, de vraag verschuift van investeringen naar consumptie, verder toenemend grondstoffengebruik); 
  1. gebrek aan voldoende financieringsmiddelen, afneming van de investeringen, hoge rente, loon en prijsstijging, aarzelingen op de effectenbeurzen, problemen in de bouw, minder grondstoffengebruik;

 Crisis:  (ineenstorting van het krediet, talrijke faillissementen).

 In de crisis wreekt zich dat de banken in de concurrentiestrijd onvoldoende gelet hebben op de risico’s die voortvloeien uit kredietverlening op de top van de hausse. Anders gezegd ontoereikend reserves aan eigen geld te hebben opgebouwd om eventuele stroppen op te vangen. Het is natuurlijk heel voordelig om een hoog hefboomeffect te hebben, dat bevordert de winstgevendheid en dan kunnen hoge dividenden en bonussen gedragen worden en dat doet het weer goed op de beurs. Maar als de kredietwaardigheid van crediteuren begint te ontbreken, om wat voor reden dan ook, komen de stroppen en dan is de bank gauw door zijn reserves heen. Dan dreigt het faillissement van de Bank. Bij grote zg. structuurbanken is de financiële chaos die dan zou ontstaan niet te overzien. Vandaar dat de staat de stuctuurbanken in zulke gevallen beschermt. En ook de kleine spaarder. Het risico komt dan terecht bij de belastingbetaler, voorzover de aandeelhouders niet worden onteigend.

Dit is het algemene beeld. Er kunnen natuurlijk op allerlei manieren en tijdstippen verstoringen optreden die het algemene beeld sterk kunnen beïnvloeden. Te denken valt aan misoogsten, overstromingen en andere natuurrampen, aan opstanden, oorlogen, en wat dies meer zij. Maar ook de budgetaire situatie van de overheid, zowel qua omvang als qua financieringsbehoefte kan het beeld mede bepalen.

 Meer aandacht voor het conjunctuurgebeuren is wel gewenst.

[1] Theoretische Sozialeconomik, Viertes Buch: Theorie der Konjunkturbewegungen, 5e druk, Leipzig, 1932.

[2] Uit: D. van der Werf: Crisis en maatschappelijke keuze, Leeuwarden 1983, blz. 185 e.v. 

Geplaatst: juni 2016