Uittreden?

Dit stukje in cursief schreef ik ruim 2½ jaar geleden en heb ik recent weer teruggevonden. Er is in die tussentijd wel veel gebeurd. De Europese Centrale Bank voert een anti-deflatiebeleid via het opkopen van staatsschuld, zodoende de rente laag te houden en en de particuliere sector zo liquide mogelijk te houden, en probeert daarmee investeringen en andere bestedingen uit te lokken, wat maar matig lukt. Nieuw is de sprinkhanenplaag van vluchtelingen en andere migranten uit voor Azië en Noord Afrika, die de overheden veel geld kost, en daarmee het antideflatiebeleid ondersteunt. Maar toch ziet men op alle consumentenmarkten prijsverlagingen en kortingen, in feite tekenen van deflatie. Thans volgt wat ik toen schreef. De strekking ervan is nog steeds van toepassing.

Wat zien we nu vandaag gebeuren?

 Er nog steeds kredietkrapte. De banken zijn wel liquide, maar zijn voorzichtig wegens onvoldoende eigen geld.

 Voor ons land geldt, evenals voor meer landen in Noord-Europa, dat de betalingsbalans een overschot vertoont. Dat betekent dat de gezinnen en bedrijven per saldo nog steeds besparen, en niet ontsparen. Immers de overheid heeft een tekort en het buitenland heeft een tekort. Het overschot ligt dus bij gezinnen en bedrijven, want een andere sector is er niet. Daar ligt dus ook een deel van de oplossing: de ruimte die er is gebruiken om de machine weer aan de gang te zetten.

 Er is nu kritiek op de betalingsbalansoverschotten van Duitsland. Duitsland zou door een uitgavenbeleid meer evenwicht in Europa moeten brengen. Impliciet geldt dit ook voor Nederland.

Wie moet er meer gaan uitgeven?

Toch kan je kan niet met fatsoen zeggen: laat die gezinnen en bedrijven dan maar wat meer uitgeven. Die zijn nog bezig hun wonden te likken en zijn blij als ze het hoofd boven water kunnen houden. Voor veel kleinere bedrijven valt er bovendien aan de straatstenen niets te verdienen. Anders gezegd: het publiek is gewoon bang en laat de politiekers/betweters maar praten. Institutionele beleggers, zoals verzekeringsmaatschappijen en pensioenfondsen zitten met zware (potentiële) verliezen en dat geldt ook voor al diegenen of voor al die bedrijven en instellingen die in het verleden in waardepapieren en/of vastgoed hebben geïnvesteerd. Gerichte industriepolitiek kan wellicht helpen, maar biedt ook geen panacee, vooral omdat men niet weet in welke richting men het moet zoeken. Daarbij komt dat woonplaats, opleiding en ervaring van de recent werkloos geworden personen veelal niet aansluiten op de personeelsbehoefte van nu. Krapte op deelmarkten van de arbeidsmarkt is het gevolg.

Dat werkt dus niet. Maar wat dan wel?

Concurrentiepositie verbeteren, kosten per eenheid product omlaag, efficiëntie omhoog, lonen in de hand houden? Dit is het vertrouwde deuntje. Duitsland geeft in dit opzicht steeds meer het voorbeeld. Het prijspeil ligt daar lager. In Duitsland stijgen de lonen nog wel, maar het maakt gebruik van de concurrerende lonen van toelevering uit Oost-Europese landen. In ons land is nog geen sprake van loonmatiging. Nederland is naar verhouding tot Duitsland maar een duur landje geworden. Het heeft dank zij Duitsland gelukkig nog een overschot op de lopende rekening. Dat overschot zou door concurrentieverbetering misschien nog wat kunnen toenemen. Leuk voor Nederland. Maar in een groter geheel beschouwd geen echte oplossing.

Immers, voor de Zuidelijke landen van het Eurogebied zou dit deuntje dan ook moeten gelden. Maar dat gaat niet zo één twee drie. Het probleem doet zich namelijk voor dat de betalingsbalansoverschotten bij de Noordelijke lidstaten onder meer bereikt zijn via uitvoer naar de Zuidelijke lidstaten. Behalve dat het moeilijk zal zijn daar het concurrentievermogen op te voeren, mag niet worden vergeten dat de Noordelijke staten juist hebben verdiend aan de handel met de Zuidelijke landen. Die verdienmogelijkheid zou dan al of niet gedeeltelijk wegvallen.

De reële problematiek.

 Vanuit de optiek van de reële economie is de achterstand in concurrentievermogen van het Zuiden ten opzichte van het Noorden het grote probleem. Zeker niet op alle gebieden, maar wel op de gebieden die technologisch en innovatief doorslaggevend zijn. Dit verklaart ook het verschil in productiviteit en kosten per eenheid product, die wat dit laatste betreft veelal hoger zijn in het Zuiden vergeleken met het Noorden. Een van de opgaven van de Europese samenwerking is immers convergentie van de productiekosten.

Toen wisselkoersaanpassingen nog mogelijk waren, waren deze verschillen in concurrentievermogen niet zo problematisch. Toen konden nog met een pennenstreek de loon- en prijsverhoudingen in evenwicht worden gebracht, zoals boven vermeld, overigens ten nadele van de crediteurlanden. Maar binnen het Eurogebied is dit geen optie meer.

Zolang het niet mogelijk is de efficiëntie in de productie op te voeren betekent dit dat directe binnenlandse loon- en prijsaanpassingen onvermijdelijk zijn geworden indien men de loon- en prijsniveaus in evenwicht wil brengen: deflatie in het Zuiden en/of inflatie in het Noorden. Deflatie in het Zuiden valt moeilijk, want dan loopt de economie verder vast en riskeert men dat de bevolking in opstand komt. En voor zover het lukt gaat het te langzaam. Dan maar inflatie in het Noorden? Dat schiet ook niet op met een monetair beleid dat prijsstabiliteit als hoofddoelstelling heeft!

Een Gordiaanse knoop.

De situatie in het Eurogebied heeft intussen veel weg van een onontwarbare knoop. Pappen en nathouden helpt niet meer, het verlengt de depressie alleen maar. Veel verliezen kunnen niet meer gedragen worden waar ze zijn veroorzaakt. Daarom zijn allereerst de banken de klos, die overigens door onberaden kredietverlening mede oorzaak zijn geweest. Dus deconfitures laten komen en aandeelhouders en obligatiehouders het verlies laten dragen? Afstempelen van excessieve staatsschuld? Verlagen van de salarissen en andere vergoedingen bij overheden en semi-overheden? Saneren van de sociale zekerheid en andere subsidies? Uitkleden van de zorgverzekering? Huisontruimingen en gedwongen verkopen?

Allemaal geen werkbare oplossingen.

Twee constateringen geven prioritaire aanleiding tot ongerustheid.

  1. De dispariteit in de ontwikkeling van het concurrentievermogen binnen het Eurogebied, tussen meest Zuidelijke en meest Noordelijke landen. De discrepantie is te groot om binnen het Eurogebied te laten voortbestaan.
  2. De monetaire financiering die niet alleen in Europa, maar ook in Amerika en Japan plaats vindt in het kader van het anti-depressiebeleid.

De tijd staat niet stil in de crisis.

Laten we niet vergeten dat tijdens de crisisjaren de tijd niet stil staat. Technologische vernieuwing is aan de orde van de dag. En ook de organisatie van de economische wereld is aan – ingrijpende? – verandering onderhevig. De modernisering kent geen einde. En daar zijn investeringen voor nodig. In deze situatie ontstaan prijsstijgingen door opwaartse kostendruk in knelpunten op arbeids- en grondstoffenmarkten, terwijl het geld door de monetaire financiering voor expanderende bedrijven aanwezig is.

Conclusie.

Uiteindelijk ligt de conclusie voor de hand, – niet leuk voor voorstanders van de Europese samenwerking – dat de meest logische weg om ons land tegen de inflatie en de daarmee samenhangende ellende te behoeden loopt langs een stopzetting van de monetaire financiering van de loon- en prijsstijgingen. Zoals de zaken er nu uitzien kan dat alleen door een uittreding van de Euro. Dat geeft de zuidelijke landen meer ruimte om hun eigen weg te kiezen. Nederland kan zelfstandig uittreden, maar het heeft de voorkeur dit te doen in symbiose met Duitsland en een aantal andere overschotlanden. 

De Europese samenwerking zou er mee gebaat zijn. 

 

Geplaatst 15 april 2016