Wat zeggen ons de referenda??

Nu de kruitdamp van het referendum enigszins is opgetrokken wordt het tijd zich eens rustig te bezinnen op wat er gebeurd is. Ondergetekende had zich overigens al op deze plaats tegen het ontwerp-associatieverdrag verklaard lang voordat het in de huidige vorm definitief werd. Ik vond dat het verdrag in deze vorm niet past in de hoofddoelstellingen van de EU: welvaart en veiligheid. Daar is dit Oekraïneverdrag niet dienstig voor. Integendeel, het was beter geweest om ondersteuning van de Oekraiense economie in een neutrale vorm te gieten, daar hadden de Oekraieners meer aan gehad. Dan was de uitkomst van het referendum wellicht positief geweest of had het de drempel van de nodige stemmers niet gehaald. 

 De vraag doet zich inmiddels voor: hoe komt het dat de uitslag van het referendum een afwijzing bevat? Een afwijzing door wie? Een afwijzing van wat? En: heeft de uitkomst een wijdere betekenis dan Nederland alleen? In andere woorden: mag de uitkomst opgevat worden als een steekproef voor de gehele EU? En zoja, welke representativiteit dient er aan te worden toegekend?

 De vergelijking met 2005 dient zich aan. Toen werden in Frankrijk en in Nederland referenda gehouden. Toen werd in Frankrijk achteraf nagegaan in welke buurten overwegend positief gestemd werd en in welke buurten overwegend negatief. Er bleek een duidelijke samenhang met de inkomensstructuur: in buurten met veel gegoede bewoners werd meest positief gestemd en elders negatief. Wat mogen we nu hiervan denken?

 In 2005 waren Frankrijk en Nederland samen representatiever dan Nederland alleen. En Nederland 2005 en Nederland 2016 samen genomen representatiever dan elk op een zelfstandig tijdstip alleen. Van algemene bekendheid is ook dat de inkomensverdeling scheef is. Er is weinig fantasie voor nodig om te raden wat er gebeurd zou zijn als de ontwerp EU-grondwet aan een Europa-wijd referendum onderworpen zou zijn geweest. Afgewezen. Hetzelfde geldt voor het associatieverdrag in zijn huidige vorm. Ook afgewezen. 

 Wat is er aan de hand? Hoe komt het dat de beroepspolitici en hun aanhang en medewerkers allerlei stokpaardjes kunnen berijden zonder dat de burgerij erin betrokken wordt of zelfs ervan afweten? En dat ook doen. Maar de burgerij mag wel de consequenties ervan dragen. Het Europees parlement heeft nauwelijks zeggenschap, alles wordt bekokstoofd op het niveau van de Raad, dwz. van de regeringen der lidstaten. Van een Europees debat is nauwelijks sprake. Alleen bij een referendum, zoals dat van 6 april 2016 komen de voor- en nadelen naar voren en vormen onderdeel van de publieke discussie. Daar mogen we blij mee zijn. Dat is een van de goede kanten van referenda. 

 Dat was ook het geval in 2005. Ondergetekende heeft toen een bijeenkomst bijgewoond op locaal niveau, waar ook vertegenwoordigers van het locaal bestuur en locale organisaties aanwezig waren. Deze waren overwegend vóór de nieuwe ,,grondwet”. Zij gaven overigens niet de indruk dat ze van het onderwerp van de discussie voldoende kennis droegen, de ontwerp-grondwet überhaupt gelezen hadden, laat staan bestudeerd. Zij waren kennelijk vóór in het vertrouwen dat het goed was. Of dat zij aan hun stand verplicht waren om ja te stemmen. De uitkomst van het referendum liet zien dat zij in de minderheid waren. 

 Het antwoord van de heersende klasse was lippendienst aan de tegenstemmers via het verplaatsen van enkele komma’s en punten en doorzetten van de hoofdlijnen van het ontwerp. 

 Dat lijkt zich nu te herhalen. 

 Men denkt niet aan de mogelijkheid dat de negatieve uitkomsten van de referenda van 2005 en 2016 tekenen aan de wand kunnen zijn, die erop wijzen dat het met de Europese eenwording bergafwaarts dreigt te gaan. Er is gebrek aan eenheid in de top, gebrek aan visie, en daarmee gebrek aan duidelijkheid. De massa aan de basis kan zich daardoor niet vereenzelvigen met de Europese gedachte en wendt zich af van het ideaal van een veelvolkerenclub. Het nationalisme voert weer de boventoon, terwijl er sinds de oprichting van de EEG in 1957 zoveel gezamenlijk reeds bereikt is. Tegelijkertijd dreigt er een nieuwe klassenmaatschappij te ontstaan: 

 Klasse 1: Het bestuurlijk management, gesteund door de top van het bedrijfsleven en de hoogopgeleide techneuten die zich eraan refereren. Altijd vóór, het gebrek aan democratisch gehalte deert niet, geeft de mogelijkheid via lobbying het een en ander te bereiken. Hier kan men veel voorstemmers – en/of de strategische niet-stemmers vinden. 

 Klasse 2: de ontwikkelde burgerij, inellectuelen zoals onderwijzend personeel, middelbare ambtenaren en kantoorpersoneel (wier positie onder druk staat door de automatisering), vakbekwame werknemers, zzp-ers, enz. Zien het een en ander gebeuren, maar zijn afhankelijk van democratische inspraak, die er vaak niet is. Een groot deel van de tegenstemmers kan men hier vinden 

 Klasse 3: al diegenen die met moeite, gedeeltelijk met lage lonen, gedeeltelijk met werkloosheidsgeld en bijstand het hoofd boven water houden, gepensioneerden met AOW en eventueel een uitgekleed pensioen, gehandicapte bejaarden, noem maar op. Afhankelijk van de welwillendheid van het besturend management. Dikwijls niet geïnteresseerd, of door gebrek aan tijd of gebrek aan middelen niet instaat zich met het bestuurlijk aspect bezig te houden. 

 Dat is het resultaat van de uitgeklede democratische rechtsstaat. We zien het op Europees niveau, alsook op nationaal niveau dat de burgerij verzet aantekent. Europa lijdt er onder. 

 Dat is er aan de hand. 

 Dirk van der Werf, Lopikerkapel, 12 april 2016.