Europa en de Natiestaat

 Dit is mijn verslag van de lezing door Alexander Rinnooy Kan bij het Haagsch College van 22-06-15, met commentaar.

 De lezing was aangekondigd onder de titel: ,,Waar blijft de macht van Den Haag”.

 Spreker begon met het verschijnsel ,,Glocalisering”, een gelijktijdige ontwikkeling van globalisering en localisering.

 In de 19e eeuw tot 1910 was er in Europa reeds een redelijke mate van globalisering, alle grenzen waren open voor het goederen en personenverkeer. Deze openheid werd doorbroken door WOI en is weer opnieuw op gang gebracht na WOII.

 Globalisering is niet onvermijdelijk, want mensenwerk, maar blijkt toch een moeilijk te stuiten proces. Binnen de EU heeft – aldus spreker – Nederland enorm geprofiteerd van de vrijheid van het goederen en dienstenverkeer in Europa.

 Localisering is wel vermijdbaar, maar er blijft altijd behoefte aan houvast in de directe omgeving van mensen, zeker in tijden van globalisering. In de EU tracht men daaraan tegemoet te komen via het beginsel van subsidiariteit: men dient niet aan de top (de EU) te regelen wat ook aan de basis gedaan kan worden.

 Subsidiariteit spreekt de Nederlander wel aan. Decentralisatie is een traditie in ons land die teruggaat naar de tijd van de republiek: de Zeven Provinciën maakten zich samen sterk voor de overzeese handel en de de strijd die daarmee te maken had. De overige zaken werden lokaal geregeld. Hij noemt dit het ,,Huis van Thorbecke”: een stevig dak en een gouden kelder, en alles daartussen niet centraal geregeld.

 Het betoog was opgebouwd naar drie vragen:

  1. de toekomst van Europa,
  2. diepte en vorm van decentralisatie,
  3. wat blijft er over voor de Natiestaat?

 Ad 1. Europa: een confederatie in wording

  • ongeveer 3% van de bevolking voelt zich Europeaan als je ernaar vraagt,
  • in 60 jaar uitgebouwd tot de grootste interne markt van de wereld, een enorme prestatie,
  • is de vaart er nog in of is die er inmiddels uit?

 Wat kenmerkt Europa?

  • culturele traditie, de wieg van de westerse beschaving
  • gezamenlijk erfgoed – religie, filosofie, de verlichting, sociale en politieke staatsinrichting,
  • historisch geografische lotsverbondenheid.

 Wat drijft de Europese integratie?

  • diversiteit,
  • de rechtsstaat,
  • de economische kansen door samenwerking,
  • de logica van ,,spillover” (stapsgewijze ontwikkeling),
  • feitelijke onomkeerbaarheid,
  • de onvermijdelijkheid van politieke integratie.

 De Europeanisatie zet door (is moeilijk te stuiten):

  • bankenunie,
  • interne markt,
  • defensie,
  • sociaal Europa,
  • energie en duurzaamheid,
  • ……

 Ad 2. De decentralisatie zet ook door (onderste verdieping van Thorbecke’s huis):

 Het sociaal- culturele domein):

  • bijstand,
  • arbeidsmarkt,
  • zorg,
  • onderwijs,
  • plaatselijke cultuuruitingen.

 Het economische domein:

  • mobiliteit en infrastructuur,
  • regionaal beleid,
  • woningbouw,
  • energie en milieubeleid.

 Consequenties van decentralisatie:

  • versterking van de lokale slagkracht door samenwerking, taakdifferentiatie en schaalvergroting,
  • meer nadruk op lokale belastingheffing,
  • grotere lokale bestuurseenheden,
  • eliminatie van het democratisch tekort.

 Ad 3. Waar blijft de macht van Den Haag?

  • De ratio van de Natiestaat verdient aandacht, en
  • is de kern van Nederland voldoende sterk om te behouden tussen het dak van Europa en de kracht van de regio’s?

 Algemene punten van commentaar:

 Ad 1. De toekomst van Europa: een confederatie in wording.

 Rinnooy Kan begon op dit punt met een betrekkelijk globaal verhaal. Hij beschreef de tendenties en uitkomsten in de toekomst, de resultaten die verwacht mogen worden, maar zonder veel aandacht voor de processen die een en ander moeten bewerken, noch voor de grenzen van de zich aftekenende globalisering. Wel was er oog voor het onderscheid tussen globalisering in het kader van de EU en internationaal buiten dat kader, maar de geografische grenzen van de EU, bijvoorbeeld, kwamen niet ter sprake. Noch ook de wenselijkheid en vorm van een toekomstige EU confederatie. Het is immers geenszins duidelijk dat de bevolking in Europa aan zoiets denkt, gegeven het genoemde feit dat slechts 3% van de bevolking verklaarde zich Europeaan te voelen. Welvaart en veiligheid, dat wil men wel en vakantie in het buitenland zonder geld te hoeven wisselen. Hoezeer de economische samenwerking in Europa na 1945 heeft bijgedragen tot onderling begrip en daarmee tot de welvaart die wij nu dagelijks meemaken dringt nauwelijks tot de mensen door. De oorzaken van dit gebrek aan begrip en waardering voor het Europees gebouw kwam nauwelijks aan de orde. De vraag doet zich immers voor dat het democratisch tekort van vandaag op het vlak van de EU daarbij een rol kan spelen.

Ten aanzien van de buitengrenzen van de EU staat in het verdrag aangegeven dat alle Europese landen voor toetreding in aanmerking kunnen komen, maar welke dat zijn is werd niet duidelijk gemaakt. Hoort Azerbeidsjan erbij, Turkije, de Oekraïne, Rusland? Als Turkije erbij gemeend wordt en Rusland niet, dan mag wel eens duidelijk gemaakt worden waarom Rusland niet ook? En de Oekraïne wel en Rusland niet?

 Heeft het zin om een referendum te houden over de belangrijke vraag van een eventuele toetreding van Turkije, nu de onderhandelingen nog steeds gaande zijn, ondanks het de weinig positieve stemming voor toetreding van dat land? In hoeverre past Turkije eigenlijk bij de culturele traditie en het gezamenlijk erfgoed, die genoemd werden als kenmerken van Europa die de basis zouden moeten vormen van een confederatie in wording? Of zijn er andere redenen in omloop, die niets met welvaart en veiligheid te maken hebben? Ook daarover kon wel wat meer gezegd worden.

 Dit eerste punt, de toekomst van Europa, kreeg de meeste aandacht. En was ook het interessantste deel, maar de omissies waren helaas overduidelijk.

 Ad2. Het tweede punt, de diepte en vorm van de decentralisatie.

 Minstens zo belangrijk, maar roept andere vragen op. De taakverdeling centraal-decentraal zou op alle niveaus ter sprake moeten komen, tot op het hoogste niveau van EU en VN, maar ook binnenlands.

 In ons land wordt de rol van de provincie, het middenbestuur, helaas nog steeds niet goed begrepen en onderschat. De provincies positioneren zich zelf ook niet duidelijk op het vlak van wie wat wel en niet moet doen, met het gevolg dat de taken van de provincies grotendeels zijn uitgekleed, dit terwijl de bestuurskracht van de provincies niet slecht zou behoeven te zijn. Immers de provinciale besturen worden rechtstreeks gekozen. Maar de belangstelling voor hun werk is teleurstellend gering. Hier is zeker sprake van een democratisch tekort.

 De gemeenteraden worden eveneens rechtstreeks gekozen, maar de gedachte dat de gemeenten dicht bij de burger staan is in veel gevallen een illusie, met name bij de grotere gemeentes. Ook hier is sprake van een democratisch tekort. De versterking van de lokale slagkracht via bovengemeentelijke samenwerking, taakdifferentiatie en schaalvergroting liep in het jonge verleden niet zelden op niets uit (zie bv. Rijnmond). Hoe hier de invloed van de burger geregeld is, is volledig duister.

 Het heeft er de schijn van dat het vertrouwen dat provincies en/of gemeenten dichter bij de burger staan dan het rijk voornamelijk op ideologie berust. De burger kijkt – als hij dat al doet – naar de nationale wetgever – voorbeeldje: PGM – die intussen de uitvoering van slecht voorbereide wetgeving ,,over de schutting” gooit, de financiën kort houdt en de verantwoording ervoor afschuift naar de lagere overheid, die daarmee gedegradeerd wordt tot uitvoeringsinstantie en/of klantenservice. Mooie oplossing van het democratisch tekort!  

 Ad 3. Wat blijft er over voor de Natiestaat?

 Hierop was de lezing geafficheerd met de titel: Waar blijft de macht van Den Haag? Anders gezegd: wordt de natiestaat gesandwiched tussen de tendenties tot globalisering en localisering?

 Ook een zeer interessante vraag. Maar het probleem kwam helaas nauwelijks aan de orde.

 De geīnteresseerde krantenlezer het wel een en ander had kunnen verwachten in het licht van wat er recent over geschreven wordt. Bijvoorbeeld over de vraag of democratie, globalisering en de natiestaat wel samengaan. En indien deze vraag bevestigend wordt beantwoord, onder welke voorwaarden?

 In 1957 werd de EEG opgericht met als doel een economische ruimte, waarin de concurrentievoorwaarden voor het bedrijfsleven door harmonisatie gelijkgetrokken zouden worden. Niet minder dan dat, maar ook niet meer dan dat. Ongetwijfeld zet de Europeanisatie zich op dit punt door, tot we uiteindelijk ook een monetaire en financiële unie bereikt zullen hebben en een sociaal Europa wat de arbeid betreft. Dat wil niet zeggen dat problemen elders in de wereld van mensenrechten, overbevolking, oorlogen en andere onverkwikkelijke zaken tot de onderwerpen van de EU zouden moeten behoren, daarvoor bestaan andere internationale organisaties. Verdragsmatig zou de EU beperkt kunnen blijven tot welvaart en veiligheid.

 De vraag doet zich voor: wat zou spreker hiervan vinden? Kan een beperking van de EU tot economie en veiligheid niet een voorwaarde vormen voor het samengaan van globalisering, democratie en de natiestaat? Democratie op Europees niveau via het Europees parlement, eventueel met inschakeling van de optie van referenda bij belangrijke beslissingen? Maar dan zou men daarin wel moeten geloven en niet zoals in 2005 met de EU-referenda in Frankrijk en Nederland gebeurde de uitkomst tot een dode letter maken als die niet welgevallig is.

 Maar niets hierover. Een gemiste kans. Of was Rinnooy Kan’s optreden meer in de rol van politicus dan die van docent, en heeft hij daarom niet willen uitweiden op onderwerpen die discutabel zijn?

 Het was niettemin of misschien juist daarom een interessante en intigrerende avond.

 Dirk van der Werf,

Lopikerkapel, eind juni 2015

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.