Wat doet QE?

De huidige financiële crisis heeft wel aangetoond dat de buffers van de banken en andere financiële instellingen onvoldoende waren. In andere woorden, er bestaat behoefte aan meer eigen vermogen bij de banken. Weer anders gezegd: balansverkorting.

 Als gevolg van nieuwe regelgeving (Basel III) in combinatie met verscherpte eisen vanuit investeerders zijn banken bezig de zg. leverage ratio (= kernvermogen / balanstotaal) terug te brengen door de hoeveelheid eigen kapitaal (kernvermogen) te vergroten of wel de uitstaande verplichtingen te verkleinen (balansverkorting). Een kapitaalbuffer van ca. 15% van het balanstotaal zou ook onder abnormale omstandigheden voldoende bescherming bieden, maar daar zijn de bestuurders van de banken nog lang niet aan toe. Immers de nieuwe regels van Basel III blijven met ongeveer 7% daar nog ver onder. In ons land hebben de bankbestuurders zelfs nog moeite met een verhoging van 3% naar 4%.

 Het hanteren van een lage leverage ratio (hoog hefboomeffect) is namelijk geen onschuldige activiteit. Onder gunstige omstandigheden kan het hefboomeffect gebruikt worden om het rendement op eigen vermogen lekker op te krikken. Zolang het rendement op uitzettingen (bijvoorbeeld investeringen in schepen of in onroerend goed) hoger is dan het algemene renteniveau, dan het werkt de hefboom positief, en dan lijkt het probleemloos te gaan. Maar de hefboom werkt de andere kant op als het rendement op de investering terugloopt en/of de rente over het geleende geld (vergoeding op obligaties en/of deposito’s) omhoogschiet. Bij een hogere kapitaalmarktrente in combinatie met recessieomstandigheden kunnen er grote verliezen optreden. Dan blijkt er te veel risico te zijn genomen. In het geval van grote banken als de ABNAmro en ING moest de staat te hulp komen omdat het gehele financiële stelsel in het ongerede dreigde te raken. Het risico kwam langs deze weg bij de belastingbetaler terecht. In het Engels heeft men daarvoor het begrip ,,moral hazard”: de speculant profiteert van de gunstige uitkomsten van een speculatie, de verliezen mogen anderen dragen.

 Het optimale balanstotaal verschilt vanzelfsprekend per bank en kan alleen worden bereikt bij volledig inzicht per productgroep in de kosten van kapitaal en liquiditeit behorend bij het totale rendement vereist door aandeelhouders. Deze optimale mix van kapitaal, liquiditeit en rendement biedt een structurele basis voor de bank om te groeien in producten die passen bij de productmix. In een recessie is het niet altijd mogelijk de optimale mix te handhaven, zeker niet als balansverkorting geboden is. Gezien de ongunstige marktomstandigheden is verkoop van activa niet altijd een haalbare oplossing voor een balansverkorting, omdat eventuele verliezen ten laste komen van het eigen vermogen. De banken zouden in plaats daarvan gedwongen worden het aantal leningen verder te laten teruglopen om alsnog aan de (verhoogde) kapitaaleisen te voldoen.

 Intussen gaat de Europese Centrale Bank over tot het opkopen van vast renderende activa, meest overheidsobligaties, om daarmee – in het voetspoor van de Amerikaanse centrale bank, de Federal Reserve System – via een zg. Quantitative Easing (QE), oftewel kwantitatieve verruiming, de banken ertoe te brengen meer krediet te verlenen. De ECB vraagt daarmee aan de banken om hun balansen niet zozeer te verkorten, maar te verlengen. Enigszins tegenstrijdig overigens. Overigens heeft Tinbergen in zijn studie voor de Volkenbond in 1939 al gevonden dat de invloed van de rente op het investeringsgedrag van bedrijven niet altijd evident is. 

 Voor wat er nu eigenlijk gebeurt even terug naar de hoofdlijnen van (centrale-) bankpolitiek, en met name naar de oude controverse tussen het ,,currency principle” en het ,,banking principle”, die dateert uit de tijd van de metallieke standaard. Het currency principle bepaalde oorspronkelijk dat banken – inclusief centrale banken – alleen geld mochten creëren tegen voldoende dekking in goud of andere reserves. Daardoor werd de geldcirculatie ten principale beperkt. Het banking principle ziet vrijheid van kredietverlening als voorwaarde voor een flexibele geldvoorziening en geeft de centrale en particuliere banken de vrijheid om geld te creëren via kredietverlening en legt daar geen a priori beperking op.

 De beide principes zijn niet strijdig met elkaar, maar vullen elkaar aan. Beide principes stellen namelijk een grens aan de kredietverlening. Het banking principle gaat ervanuit dat er vrijheid bestaat van kredietverlening, maar dat het niet mogelijk is om meer krediet te verlenen dan dat er behoefte bestaat aan krediet onder de normaal geldende voorwaarden van solvabiliteit van de kredietvragers en een normale rente van 3 à 4%. Aan de andere kant gaat het currency principle ervanuit dat er niet meer krediet verleend mag worden dan de reserves van de kredietverleners toelaten. Tussen de twee grenzen bestaat een vrije ruimte. Het gaat er nu maar om hoe de grenzen worden bepaald.

 De financiële perikelen van vandaag zijn ontstaan doordat beide grenzen te ruim of in het geheel niet in acht zijn genomen. Ongecontroleerd hebben de banken in nagenoeg de gehele wereld zich erop gericht om de verdiensten via verlaging van de leverage ratio veel mogelijk op te voeren en zich aan veel te veel ricico blootgesteld. Waaraan de verschillende overheden overigens hebben meegewerkt door te veel te lenen voor niet of nauwelijks renderende projecten. Het currency principle werkt ook niet meer nadat in 1973 de dollar van het goud is losgekoppeld. Het lijkt erop dat de gouden standaard geleidelijk is veranderd in een blikken standaard, waarbij de centrale banken ad libitum een blik nieuwe reserves kunnen opentrekken. Dat heet dan tegenwoordig QE – quantitative easing – of in het Nederlands: kwantitatieve verruiming.

 Quod Non. Want wat gebeurt er? Mijnheer X verkoopt een obligatie via de beurs aan de ECB. Hij krijgt daarvoor een bedrag aan liquide middelen, zeg € 1000. Dat is dan het bedrag aan QE dat na deze actie bij mijnheer X, op de bank staat. Hij kan natuurlijk weer iets anders kopen op de beurs, maar dan komt de opbrengst daarvan ook weer ergens bij een bank terecht. Wat doet een bank met die opbrengst? De bank kan het gaan uitlenen aan X2 BV voor investeringen, overeenkomstig de bedoelingen van de ECB. Maar de bank is juist bezig de kredietverlening te beperken, de bank heeft al teveel middelen waaruit in de kredietbehoefte van X2 BV kan worden voorzien. Dus de bank houdt het geld dan maar in kas. Waar zit die kas? De bank herinnert zich een rekening te hebben bij de centrale bank – in ons land de Nederlandsche Bank, en stalt daar het geld dat via QE is gecreëerd. Het door de monetaire autoriteiten via obligatieinkoop gecreëerde geld komt in dit geval automatisch terug. Maar dat is niet de bedoeling.Vandaar een zo laag mogelijke rente op het terugkerend depot, eventueel zelfs een negatieve rente en maakt ervan in dat geval een strafdepot.

 Het QE blijkt dus veel van een slag in de lucht te hebben.

 Nu de conjunctuur mogelijk weer iets aantrekt kunnen de monetaire autoriteiten zich op de borst rammen dat QE er aan ten grondslag ligt. Maar dat is maar heel de vraag!

 Geplaatst 29 juni 2015; laatst gewijzigd 22 mei 2016. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.