Abenomics in Europa

 Shinzo Abe zit na de Japanse verkiezingen goed in het zadel, al heeft hij in absolute aantallen minder stemmen gekregen omdat de opkomst tegenviel. Ook daar is het vertrouwen in de politici tanende, zoals ook hier in Europa (de EU) en ook in de VS.

 Abe heeft nu alle ruimte om zijn politiek van ,,Abenomics” door te zetten. Dit omvat drie luiken: 

  1. een Keynesiaans overheidsbeleid van extra uitgaven;
  2. industriepolitiek: opvoering van de productiviteit en groei;
  3. expansief monetair beleid: opkopen van overheidspapier, het in de markt pompen van liquiditeit. (QE, quantitative easing)

 Dit programma, ingevoerd na de verkiezingen van december 2012 had de intentie om de deflatoire (prijsverlagende) ontwikkeling om te buigen naar de inflatoire (prijsverhogende, ≥ 0,0% per jaar) en zodoende de groei te bevorderen.

 Aanvankelijk leek het veel succes te hebben. Tegen deze achtergrond is de tegenstelling tussen Europa en de VS snel zichtbaar.

 Het eerste luik is in Europa (de EU) afgegrendeld op 3% BNP. Even kijken waar die 3,5% vandaan komt. Deze grens is indertijd afgestemd op een verwachte groei van 5% BNP, dwz. bij 5% groei zou dit een aanvaardbaar budgetair beleid zijn: de overheidsschuld zou niet verder toenemen, zelfs iets dalen.

 Maar bij een groei van ongeveer 1%, zoals nu waarneembaar is, neemt de overheidsschuld in termen van BNP alleen nog maar toe. Of dat de bedoeling is, of dat men zich er bij neerlegt omdat een striktere norm politiek niet haalbaar is, laat ik hier in het midden.

 Het tweede luik, opvoering van de productiviteit en bevordering van groei, daarover is ook het een en ander op te merken. Opvoering van de productiviteit heeft vanzelfsprekend – dat zegt de term al – negatieve werkgelegenheidseffecten. In Japan is dit niet zo’n groot probleem, daar is de werkloosheid 3 à 4% van de beroepsbevolking. In Europa is de werkloosheid een groter probleem, gemiddeld ca. 12% van de beroepsbevolking en in de zuidelijke lidstaten veel hoger. De technologische vooruitgang gaat door en heeft niet alleen productiviteitseffecten in bestaande producties, maar leidt ook tot arbeidsbesparende verschuivingen in de productiestructuur. Veel bedrijven durven daaruit nog niet de consequenties te trekken en de waardevermindering van hun equipment ten volle in de balans te verwerken, uit angst door de mand te vallen indien de zwakte van de balans in de openbaarheid zou komen. Terwijl verouderd equipment in werkelijkheid alleen maar in de weg staat en een hindernis vormt voor vernieuwing en het bijbehorend elan.  

 Het derde luik: het monetair QE-beleid, in de volksmond het opkopen van overheidsschuld met bijgedrukt geld. Dit onderdeel van Abenomics heeft blijkbaar niet een blijvend effect, maar leidt grotendeels tot stilliggende gelden. Bij de ECB is een dergelijk beleid lang overwogen, maar is kort geleden toch niet doorgevoerd. Ondanks de bezwaren van Duitse zijde, waar o.m. de Nederlandsche Bank zich aansloot. De ECB is daarbij minder gericht op meer groei, maar ziet het als instrument ter voorkoming van deflatie.

 Daarbij hanteert de ECB als doelstelling een prijsstijging van 2% per jaar. Hoewel deze doelstelling iets huichelachtigs heeft voor een instelling die prijsstabiliteit als hoofddoelstelling in het vaandel draagt. (Logischerwijze zou de prijsdoelstelling gemiddeld 0,0% moeten zijn. Anders gezegd: prijsdalingen ter compensatie van jaren van prijsstijging, maar daar wordt niet aan gedacht.)

 Wanneer we naar Japan kijken, dan lijkt de QE geen blijvend effect te hebben. En als we naar de VS kijken dan is het helemaal de vraag of de opleving daar het effect is van QE, maar zonder dat ook zou hebben plaatsgevonden. Intussen blijken de banken en pensioenfondsen in ons land weinig behoefte te hebben om staatsobligaties af te stoten, en dat geldt waarschijnlijk ook voor Duitsland en een aantal andere Noord-Europese landen. Behalve dat er op de balansen een verplichting rust om een bedrag aan obligaties aan te houden, doet de vraag zich voor wat ze met de opbrengst zouden moeten doen, de liquiditeit is ook zonder QE toereikend. Wat Noord Europa betreft lijkt het meer een slag in de lucht.

 Overigens behoren werkgelegenheid en groei niet tot beleidsdoelstellingen van een Centrale Bank. Een centale bank heeft de taak de geldvoorziening te regelen en te fungeren als ,,lender of last resort”. Een centrale bank bezit ook niet de geëgende instrumenten ter bevordering van groei en werkgelegenheid.

Het drieluik ,,Abenomics’’ is waarschijnlijk ook het voorland van de eurozone, ook al zijn er kritische tegengeluiden die het sterkst doorklinken bij AfD, en bij Syriza nu na de verkiezingen van eind januari. Kwijtschelden van een groot deel van Griekse schulden is voor Duitsland en Nederland moeilijk verteerbaar, maar het alternatief: blijven lenen zonder voldoende terugbetalen is ook niet aantrekkelijk. Hoe langer alles blijft voortslepen zonder reële groei en nu ook nog deflatie, maar op lange termijn inflatie als de QE van de ECB doorberekend moet worden naar de centrale banken van de Eurolanden (lees de belastingbetaler); hoe meer het ,,democratische” verzet zal groeien. Een oplossing met een strikt begrotingsbeleid en een volgroeide Bankenunie is nog ver verwijderd. Kortom, praten over een politieke unie is een idee-fixe, maar er zal wel veel meer politiek moeten worden samengewerkt waarbij soevereiniteit zal moeten worden ingeleverd.

Een Grexit ligt niet meer voor de hand, zeker nu Syriza daar niet op aanstuurt. De Grieken hebben goed begrepen dat de leningen van de 250 miljard euro die zij hebben ontvangen voor een groot deel zijn doorgesluisd naar de banken en andere institutionele beleggers buiten Griekenland, die afgegaan zijn op de hoge rente en bij een deconfiture van van Griekenland grote verliezen hadden moeten verwerken. De Grieken zijn er zelf niet beter van geworden en dat heeft de verkiezingsuitslag voor een groot deel bepaald.

Hoewel er geen landen meer op het punt staan failliet te gaan, zijn er nu wel nieuwe problemen bijgekomen met stagnerende landen als Frankrijk en Italië die steeds meer afglijden naar een perifere status. Los van een Keynesiaans overheidsbeleid dat vrijwel geen enkel Europees land zich kan permitteren, zal alleen echte reële groei uitkomst kunnen bieden, maar als dat alleen maar kan via arbeidsbesparende produktiviteitsvergroting dan is de broodnodige werkgelegenheid daar ook niet direct bij gebaat. De jongere generaties zullen al dan niet als ZZP-er zich zelf moeten uitvinden en behelpen naar een nieuwe duurzame toekomst met werk. Beslist geen eenvoudige opgave; zeker niet voor de 33% jongeren zonder vaste baan die maar moeilijk aan de bak zal kunnen komen.

Onzekerheid is de nieuwe zekerheid in de toekomst.

Geplaatst 3 februari 2015 

 

 

 

 

 

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.