Over Secular Stagnation (SecStag)

De vraagstelling SecStag of geen SecStag is opgeworpen door Professor Lawrence Summers in 2013 refererend aan een rede van Alvin Hansen in 1938. Summers heeft daarmee een hele discussie ontketend, kijk maar bijvoorbeeld op internet naar Timothy Taylor[1]

 In de ineiding en overzicht van het eBook ,,Secular Stagnation: Facts, Causes, and Cures”[2] constateren de iniatiefnemers Teulings en Baldwin wel, dat de ,,SecStag” met monetair beleid alleen niet op te heffen valt. Elke weldenkende economist wist dat al. Het is als met een touw, waar je wel aan kan trekken, maar niet tegen aan kan duwen. Na de Hayekse situatie wordt iedereen zuinig. Dat drukt de rente omlaag. Daar heb je geen QE voor nodig. Dat leidt alleen maar tot stilliggende gelden. De banken zwemmen in het geld, maar ze kunnen niet uitlenen want ze hebben te weinig eigen geld, te weinig dekking. 

Waar moeten al die bedrijven, levensverzekeringen en pensioenfondsen, en particuliere veelverdieners met hun stilliggend geld heen? Er is een tekort aan ,,reliable assets”, waarin kan worden belegd, daarover wordt – onder anderen bij R. C. Koo – over geklaagd.[3] Je kan niet alles in dure horloges, jurken, goud, effecten, kunst, stoppen. De veelverdieners raken door gebrek aan renderende beleggingen op den duur een groot stuk van hun ,,verdiende” waarde kwijt.  

 De volgende slotsom ligt voor de hand: 

  1. Tot elke prijs wil men voorkomen dat de prijsconcurrentie in een stagnerende economie tot een niet te stuiten deflatie zal leiden, en langs die weg tot een seculiere stagnatie.
  2. Het Keynesiaanse instrument van extra overheidsbestedingen is uitgewerkt: bij een begrensd financieringstekort en het huidig niveau van de belastingdruk kan het alleen tot een verschuiving van de bestedingen leiden. 
  3. QE heeft niet het gewenste effect. Het heeft alleen het risico dat een mogelijk optredende bubble gierend uit de hand loopt.
  4. De rente is een irrelevante variabele in de zin van Tinbergen: het is geen doel en het is geen instrument. Het is een gevolg. 
  5. Men denkt alleen iets te bereiken met beter onderwijs, en andere desiderata aan de aanbodzijde. Beleid gericht op de produktiestructuur. Een oud en bekend verhaal. Wel nuttig, maar langetermijnwerk. 

 Sommige contribuanten verzuchten dat het gehele bouwsel van macro-economisch beleid op de schop moet. Dat zou betekenen dat er naar iets anders moet worden gezocht, dat buiten het gebied van monetair en macro-economisch beleid valt. Daartoe hebben de contribuanten nog geen stappen gezet.

 Indien zij beducht zijn voor deflatie en SecStag, dan gaat het om de werking van het prijsmechanisme. Het concurrentieregiem in de EU beoogt de vrije concurrentie te bevorderen door het verbieden van staatssteun en van ondernemersafspraken, de z.g. kartels en door het tegengaan van andere vormen van machtspositie. Het is de vraag of men met dit systeem in een recessieve markt deflatie kan voorkomen.  Bij de voorbereiding van het EEG-verdrag in 1957 werd gekozen voor een een werkbare oplossing voor de gemeenschappelijke markt van de toen zes lidstaten. Daar paste geen genuanceerde wetgeving in.

 Het mededingingsbeleid mag niet te beperkt worden opgevat. Het gaat niet alleen om het verbieden van afspraken die de onderlinge concurrentie te veel aan banden leggen, maar ook om het kunnen uitbannen van een teveel aan concurrentie.

 Voordat het kartelverbod van de Europese Gemeenschap gevolgd werd was het mededingingsbeleid in ons land steeds geformuleerd in termen van bestrijding van excessen. De ondernemersovereenkomstenwet van 1935 was vooral bedoeld om de desastreuze prijsonderbieding van die jaren te kunnen indammen. Vandaar de behoefte aan een instrument tot verbindend en onverbindend verklaring van afspraken tussen ondernemers. Zulke overeenkomsten konden worden toegestaan of zelfs dwingend worden opgelegd aan alle concurrenten in een markt. Deze mogelijkheid is met het kartelverbod verdwenen.

 Het kan zijn dat het element van verbindend en onverbindend verklaring slecht past in een verbodssysteem, maar dit behoeft niet doorslaggevend zijn. Het concurrentieregiem is geen doel op zichzelf. Het gaat om de toepassing in verschillende conjuncturele omstandigheden.

 Economische macht en afspraken tussen ondernemers zijn niet uit zichzelf goed of slecht. Het vergt steeds weer een individuele beoordeling of een economische machtspositie of mededingingsregeling moet worden bestreden of juist niet.

 Het is niet moeilijk om in de huidige situatie verschillende voorbeelden te vinden waar het anti-kartelbeleid binnen de EU over het doel heen schiet. Duidelijk is dit bij inschrijvingen. Een onderneming, schrijft in op een project en krijgt het project want is de laagste aanbieder. Het aanbod is zo krap mogelijk berekend, eigenlijk onder de kostprijs, omdat het niet hebben van het project duurder is dan het wel hebben tegen een te lage prijs. De opdrachtgever kan veelal niet beoordelen of het aanbod tegen die prijs wel uitvoerbaar is.

 Dan komen de tegenvallers. Daarmee is onvoldoende rekening gehouden. De onderneming kan er aan te gronde gaan. Niet alleen de onderneming, maar ook de opdrachtgever zit met een probeem: ten laste van wie komen eventuele tekortkomingen?

 In het verborgene blijven overigens die inschrijvers die na een kostbaar proces van voorbereiding tegen een verantwoord bedrag hebben ingeschreven, waarvan in ieder geval één buiten de boot valt. De kosten van voorbereiding worden niet vergoed.

 In 1935 spiegelde de Nederlandse wetgever zich aan de toen in Duitsland geldende verhoudingen. In het laatste kwart van de 19e eeuw werden in Duitsland de kartels min of meer tot systeem verheven. Dat was ook een tijd van tegenwind. Maar ook de tijd dat de Duitse machine- en chemische industrie de Engelse voorsprong inhaalde. Tegelijk bestond in de VS in de industrie een sterke neiging tot concentratie, die groeibevorderend werkte. Dit lokte de Sherman Act van 1890 uit. Deze anti-trustwet beoogde de belangen van consumenten te beschermen. De wet is later op verschillende aspecten aangevuld.

 Het probleem met kartels en concentraties is dat als deze bij gunstige conjunctuur niet meer nodig zijn om ,,cutthrought competition” te beteugelen, men er moeilijk meer vanaf komt. Dit wetende heeft de Nederlandse wetgever in 1935 ook een misbruikwetgeving beoogd, waarbij marktverstorende machtsposities ontmanteld kunnen worden. Dit gold in wezen ook voor de Sherman Act, die later op verschillende punten is aangepast.

 Er is ook kritiek op het Amerikaanse concurrentieregiem aangezien het niet altijd lukt om de marktverstoring van machtsposities op te heffen. Prof. Robert Bork van de Chicago School wijst er op en dat de belangen van consumenten zelfs bij een formeel juiste uitvoering van het concurrentieregiem nadelig kunnen worden beïnvloed.[4]

 Intussen zien we overal om ons heen overcapaciteit ontstaan en prijzen dalen. Kantoorpanden staan leeg, de huren dalen. Onverkoopbare woningen, zelfs tegen gedaalde prijzen. De consument wordt gedurig gelokt met kortingen voor kleding, huishoudelijke artikelen, enz. , waarmee overtollige voorraden worden gedumpt. Allemaal tekenen van deflatie.

 Kartels hadden in een neergaande markt de functie prijsonderbieding tegen te gaan en tegelijk de minst efficiënte overcapaciteit met vermijding van faillissementen weg te werken. De bezitter van de gesloten overcapaciteit werd gecompenseerd uit de te behalen meeropbrengst. In de VS en andere landen waar geen kartelverbod bestond werd een overeenkomstig resultaat bereikt door concentratie. De systemen vervangen elkaar, het bedrijfsleven weet meestal wel een uitweg te vinden.  

 Het bevreemdt dat de bijdragen in het eBook niets bevatten over de economische orde, over de werking van het huidige systeem van vrije concurrentie in de recessie en over de mogelijkheid dat in het huidig tijdsgewricht een verandering in de economische orde verlichting kan brengen.

Over de belangstelling voor dit thema wordt verschillend gedacht. Hiervoor kan ik verwijzen naar Holm Arno Leonhardt .[5] Citaat: ,,Die moderne Volkswirtschaftslehre hatte somit das Erbe der klassischen Kartelltheorie verschmäht und sie als apokryph verbannt. Damit wurde ältere Kartelllehre zu einer Art No-go-area für den seriösen Wissenschaftler.”

Voetnoten: 

[1] Secular Stagnation: Back to Alvin Hansen, Thursday, December 12, 2013

[2] www.voxeu.org

[3] Balance sheet recesssion is the reason for secular stagnation; eBook pp. 131-142.

[4] Robert Bork: The Antitrust Paradox, second edition 1993. ,,The paradox of antitrust enforcement was that legal intervention artificially raised prices by protecting inefficient competitors from competition.”

[5] Zum Bedeutungswandel des Kartellbegriffs und zu seiner Anwendbarkeit auf nichtwirtschaftliche Kooperationsformen. (leonhard@uni-hildesheim.de) 

Geplaatst: 28-10-2014

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.