Bankpolitiek

Banken hebben de belangrijke functie om besparingen van particulieren te bundelen en door te geven aan het bedrijfsleven voor investeringen in vaste of variabele activa of aan particulieren om te investeren in de eigen woning. Bij de bank is men er zich van bewust dat het uitlenen van fondsen altijd een bepaald risico heeft dat het geld niet of niet volledig terugkomt. Aan de andere kant moet de bank zorgen dat de toevertrouwde middelen veilig zijn bij de bank.

 Veel spaargeld is kort geld: het kan op korte termijn worden opgenomen. Daartegenover staat dat het door de bank uitgeleende geld voornamelijk lang geld is: het kan niet op korte termijn worden teruggeroepen, want het ligt vaak vast in investeringen. De bank moet derhalve voldoende dekking hebben om schommelingen aan de actiefzijde en/of de passiefzijde van de balans op te vangen. Onder normale omstandigheden is een bescheiden buffer aan eigen vermogen daarvoor toereikend, mits de bank voldoende critisch is bij de beoordeling van de perspectieven van een kredietaanvrager.

 Eens in de zoveel jaar doet zich echter een recessie voor en ontstaan er problemen aan de actiefzijde van de balans. Zoals in de huidige crisis. Dan blijkt een bescheiden buffer niet toereikend. We zien dan ook dat veel, en soms heel grote banken zodanig in moeilijkheden komen zodat, wegens onvoldoende financieringsmogelijkheden, een beroep op overheidsgeld wordt gedaan om de bank te redden. Dit klemt temeer in een geval van een systeembank die de overheid gezien de verstrekkende gevolgen niet failliet kan laten gaan (moral hazard).     

 Het is daarom voor de gewone burger onbegrijpelijk dat er zoveel verzet is bij de banken om hogere percentages eigen vermogen te hanteren dan de 3 à 4% van het balanstotaal zoals vandaag de dag veelal de praktijk is.

 In de meeste gewone bedrijven is het percentage eigen vermogen veel hoger en geen enkele bank heeft dan ook vertrouwen in een kredietaanvrage van een bedrijf met een zodanig laag percentage eigen vermogen op de balans. Een bank is echter ook een bedrijf. Waarom zou dat dan niet gelden voor een bank?

 Inderdaad wordt dit dan ook in twijfel getrokken door veel vooraanstaande economen. In de 19e eeuw was 40% van het balanstotaal aan eigen vermogen[1] niet ongebruikelijk, later is dit geleidelijk verlaagd, in het midden van de 20ste eeuw werd een percentage van 8 tot 10% toereikend geacht, tenminste dat kan afgeleid worden uit voorbeelden in leerboeken van de jaren ’50[2].

 In zijn bekende leerboek ,,The Economics of Money, Banking, and Financial Markets”[3] uit 2003 geeft Mishkin voorbeelden van een ,,high capital bank” en een ,,low capital bank” in een rustige tijd en in een tijd van tegenwind. Allereerst de rustige tijd.

HIGH CAPITAL BANK

Activa                             Passiva

reserves     $ 10 mln    deposito’s   $ 90 mln

kredieten   $ 90 mln   eigen vermogen   $ 10 mln

 leverage ratio 10/100 = 10%

 LOW CAPITAL BANK

Activa                                Passiva

reserves     $ 10 mln       deposito’s   $ 96 mln

kredieten   $ 90 mln      eigen vermogen   $ 4 mln

 leverage ratio 4/100 = 4%

In een rustige tijd zou je denken er is niets aan de hand. Waarom zou je de ene bank voor je geld meer vertrouwen dan de andere bank? Trouwens, er is weinig keuze, want de grote banken doen allemaal hetzelfde, ze werken allemaal met zo weinig mogelijk eigen vermogen.

 Maar, kan je je afvragen, waarom doen ze dat? Zou dat kunnen zijn om het rendement op het eigen vermogen te maximeren? Het vermogen heeft bij banken normaliter de vorm van aandelenkapitaal, dat bij de grote banken genoteerd is op de beurs. Een hoog dividendrendement vergemakkelijkt het aantrekken van nieuw kapitaal voor verdere expansie. Nieuw kapitaal, hetzij in de vorm van aandelenkapitaal (eigen vermogen) danwel in de vorm van al of niet achtergestelde obligaties (vreemd vermogen). Voor de eenvoud van de presentatie worden deze obligaties hier onder de deposito’s opgenomen.

 Wat gebeurt er echter als de boel tegenzit? Dat kan gebeuren door over- en/of misinvestering van bedrijven (gefinancierd door een bank), met onvoldoende rendement, zoals bijvoorbeeld onroerend goed dat leeg staat, of door bedrijven die failliet gaan, of door uitzettingen in vaste rente obligaties die bij een rentestijging minder waard worden, etc. Er kunnen allerlei oorzaken zijn in een recessie zoals we nu beleven, die leiden tot afschrijven op de waarde van de uitzettingen, de kredieten. Hoe zien de balansen er dan uit? Dan komen de verschillen als volgt tevoorschijn:

 HIGH CAPITAL BANK

Activa                              Passiva

reserves     $ 10 mln     deposito’s   $ 90 mln

kredieten   $ 85 mln     eigen vermogen   $   5 mln

leverage ratio 5/95 = 5,3 %

LOW CAPITAL BANK

Activa                              Passiva

reserves     $ 10 mln    deposito’s   $ 96 mln

kredieten   $ 85 mln   eigen vermogen   $ -1 mln

 leverage ratio -1 /95 < 0

Aangenomen wordt dat er vijf miljoen op de kredieten moest worden afgeschreven. De High Capital Bank kan het wel hebben, al vinden ze het niet leuk. Maar voor de Low Capital Bank is het een ramp. Die is technisch bankroet en gaat failliet als hij niet op tijd wordt gered.

 Gezien deze voorbeelden kan je je afvragen: is het geen kwestie van mismanagement om zo’n magere vermogenspositie te hanteren? En ook om verzet aan te tekenen tegen die krachten die om een sterkere vermogenspositie vragen. Klopt dat of hebben de banken zich zodanig in de nesten gewerkt dat zij niet in staat zijn om (tijdig) meer eigen vermogen aan te trekken en zich met teveel vreemd vermogen moeten behelpen? Zij vragen namelijk om meer tijd om de leverage ratio te verhogen en het lijkt er bovendien op of ze er weinig zin in hebben om er iets aan te doen. Of steekt er meer achter?

 Om toch voldoende middelen te hebben voor een efficiënte bankpolitiek staan vaak obligaties op de balans ter aanvulling van het eigen vermogen. Die obligaties kunnen weliswaar niet worden opgevraagd in tijden van onzekerheid, zoals dat met zichtdeposito’s wel het geval is. En een min of meer vaste vermogensbasis is natuurlijk zeer welkom voor een bank, maar het vreemd vermogen staat niet in de tellervan de breuk bij de berekening van de leverage ratio.

 Maar dan toch zo te handelen zou misschien te maken kunnen hebben met de winstbelasting. De winst wordt namelijk bepaald door inkomsten minus de kosten. Rentekosten zijn kosten, ook rente betaald op vreemd vermogen. Zou het vreemd vermogen vervangen worden door eigen vermogen, dan wordt de fiscale winst groter en moet meer winstbelasting betaald worden. Via het vreemd vermogen wordt winstbelasting uitgespaard en kan gebruikt worden voor dividend. Een hoog dividend op een klein aandelenkapitaal is gunstig voor de beurskoers. En een hoge beurskoers geeft meer mogelijkheid voor het aantrekken van additionele middelen die gebruikt kunnen voor verdere expansie. Dit is wellicht de achtergrond van het verzet tegen een verhoging van de leverage ratio.

 Aangezien het beleid in het kader van de Bankenunieis erop gericht is de eisen voor de leverage ratio te verhogen kan men zich dus afvragen of dit niet een goedbedoelde maar averechtse impuls geeft aan de bankier. Door de wijze van fiscale winstberekening en het terwille zijn van de aandeelhouders die hij hard nodig heeft voor het eigen vermogenkomt de bankier in een wellicht moeilijke positie om vriendelijk bij een betere leverage rato uit te komen. Men zou dit kunnen veranderen door de winstbelasting te berekenen niet op de winst vóór uitkering maar op de winst na uitkering. Dan kan het fiscale belang van de bankier bij het aantrekken van obligaties (in plaats van uitgifte van meer aandelen of winstinhouding) vervallen. En is daarmee het probleem misschien wel enigszins opgelost.

 Nu is het helaas zo dat banken in deze tijd van tegenspoed door de staat gered moeten worden. De staat had natuurlijk ook de niet door de banken uitgespaarde winstbelasting kunnen reserveren om in moeilijke tijden bij te springen. Maar dat is natuurlijk ook niet gebeurd.

 Daarom is de burger-belastingbetaler uiteindelijk waarschijnlijk toch de klos.

Gedateeerd 27 mei 2014; bijgewerkt 22 mei 2016


[1]Dit percentage staat bekend als ,,leverage ratio”

[2]R.S. Sayers: Modern Banking, 5th edition, 1960

[3] Frederic S. Mishkin: The Economics of Money, Banking, and Financial Markets, 6th edition update, 2003, p. 225.